Feedback

Werkbaar in de klas

20-12-2019 / Albert Wienen, Associate Lector Jeugd

Er zijn veel ontwikkelingen rondom de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. In dit onderzoek bekijken we uit het perspectief van de leraar wat er nu wel of niet werkt in deze samenwerking. Welke factoren zijn daarin te onderscheiden? Het onderzoek mondt uit in een checklist voor leraren en hulpverleners wanneer zij gaan samenwerken.

lees meer

In de Nederlandse context is veel aandacht voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp, leraren en jeugdhulpverleners. Uit een kleine literatuuranalyse blijkt dat er nog niet veel onderzoek is uitgevoerd naar deze samenwerking. In dit onderzoek gaan we op zoek naar factoren die samenwerking positief beïnvloeden. Onderzoekers uit de praktijk en wetenschappelijk onderzoekers voeren daarvoor 17 gesprekken met ouders waarvan het kind een vorm van hulpverlening (vallend onder de jeugdwet) krijgt. Na de ouders werden ook de hulpverlener, de leraar en in sommige gevallen de leerling geïnterviewd. Tevens is een dossieranalyse uitgevoerd. De interviews zijn getranscribeerd en op basis hiervan zijn de relevante thema’s gedistilleerd.

 

De uitkomsten van het onderzoek zijn dat:

1) in de manieren waarop de verschillende respondenten de bestaande problemen beschrijven, drie duidelijke zaken naar voren komen: reductie van complexiteit, retrospectief redeneren en de mate waarin er sprake is van een gedeeld perspectief. Reductie van complexiteit treffen we aan op drie manieren. Er gaat veel contextinformatie verloren doordat er gesproken wordt in diagnosetaal, context gaat ook verloren doordat leraren vaak zelf niet betrokken zijn in gesprekken over de zorg en tenslotte gaat er context verloren doordat op scholen altijd het perspectief van het hele gezin een rol speelt. Het redeneren in retroperspectief duidt op het feit dat het probleem in het licht komt te staan van de gekozen oplossing en het verhaal in dat perspectief verteld wordt. Tenslotte speelt bij leraren impliciet het gezinsperspectief een rol, omdat scholen vaak het hele gezin al kennen.

 

2) er bij het beschrijven van het beoogde resultaat van de samenwerking, acht thema’s te destilleren zijn die een rol spelen: 1. respondenten meten aan verschillende accenten af of de samenwerking slaagt, 2. de mate waarin de leraar ontlast wordt, 3. de notitie van tijd, 4. de mate waarin de leraar en de hulpverlener elkaar zien als expert en 5. of de leraar ziet of de aanpak werkt. Daarbij worden een aantal ‘helpende’ factoren onderscheiden: 6. het gebruik van het meta-perspectief, 7. afgestemde doelen en activiteiten en 8. contact tussen de leraar en de hulpverlener en dus de mogelijkheid van een gesprek over (verschillende) morele ordes.

 

3) er weinig aandacht is voor de interventies die de leraar heeft gepleegd om het probleem te stoppen, te hanteren of te verminderen. Hierdoor is de meest recente informatie niet beschikbaar voor leraren en voor hulpverleners.

 

Uiteindelijk blijkt dat er zes aanbevelingen zijn die aandacht behoeven in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp:

  1. De leraar ervaart ‘contact’ met de hulpverlener; het is mogelijk om ervaringen en vragen uit te wisselen en elkaar aan te spreken op het handelen;
  2. Ouders ervaren dat er goede afstemming is tussen onderwijs en jeugdhulp, en leerkrachten voelen zich serieus genomen door de hulpverlener;
  3. De doelen zijn klein en zichtbaar in de klas en er zijn afspraken over het moment dat de gestelde doelen zijn behaald (welk gedrag laten we dan zien), er zijn afspraken gemaakt over de rol van tijd (drukte in agenda’s, maar ook de tijd om doelen te behalen en de interventies te kunnen uitvoeren). Samenwerkende actoren houden rekening met de factor tijd en de verschillende percepties daaromtrent;
  4. De doelen laten resultaat zien in de school- en klassencontext, terwijl er ook overeenstemming is tussen de leraar en de hulpverlener dat niet alles opgelost wordt door een interventie. In veel gevallen blijft aandacht en betrokkenheid nodig;
  5. Voor zowel de leraar als de hulpverlener is volstrekt duidelijk ‘wie wat doet en waarom’, het doel van observaties is afgestemd, de reden waarom kinderen even buiten de klas hulp krijgen is overlegd en in geslaagde samenwerking valt op dat wederzijdse feedback ontstaat;
  6. Hulpverleners kennen de kunst van het toepassen van het meta-perspectief om op die manier meerzijdig partijdig te blijven.

 

Het onderzoek werd mogelijk gemaakt door het Nationaal Regieorgaan. Onderwijsonderzoek in de ronde Gedrag in de Klas 1, dossiernummer: 405-18-641

lees minder
Albert Wienen, Associate Lector Jeugd
Hogeschool Windesheim