Feedback

VPI

29-11-2018 / Dr. Jan Bijstra, Onderzoekscoördinator, Regionaal Expertisecentrum Noord Nederland cluster 4 (RENN4)

Passend Onderwijs vraagt van scholen dat zij op inhoudelijk verantwoorde wijze kunnen onderbouwen waarom zij denken dat een leerling extra ondersteuning nodig heeft, hetzij binnen de eigen setting, hetzij via plaatsing op een andere (speciale) school. Om dat te kunnen doen, moeten scholen weten op welke gebieden een leerling extra ondersteuning vraagt van de leraar en op welke manieren scholen die extra ondersteuning kunnen bieden.

 

PI Consortium heeft hiervoor het Vraagprofiel Instrument (VPI) ontwikkeld. Het VPI is een gestructureerde en gestandaardiseerde vragenlijst waarmee in kaart kan worden gebracht welke extra ondersteuning een leerling met een zorgvraag nodig heeft en welke ondersteuningshandelingen daarvoor nodig zijn. De uitkomsten dragen bij aan de besluitvorming rond de leerling: kan die ondersteuning worden gerealiseerd op de huidige school of is plaatsing op een andere (reguliere of speciale) school aan de orde. Het VPI kan worden ingezet bij leerlingen in alle vor­men van het regulier basis- en voortgezet onderwijs met een extra ondersteuningsvraag. Ook is het bruikbaar in het (voortgezet) speciaal onderwijs, met name wanneer de vraag zich voordoet of de leerling kan worden teruggeplaatst in het regulier onderwijs.

lees meer

Het VPI geeft een beeld van het functioneren van de leerling in de klas en welke extra ondersteuningshandelingen van de leraar worden gevraagd om tegemoet te komen aan zijn/haar ondersteuningsvraag. Het kan worden afgenomen bij alle leerlingen met een extra ondersteuningsvraag, ongeacht leeftijd, niveau van functioneren, vragen, mogelijkheden of beperkingen. Bij het invullen van het VPI moet in ieder geval de leraar betrokken zijn: hij/zij heeft het beste zicht op het functioneren van de leerling in de klas. Dit betekent dat een afname in het primair onderwijs wellicht wat gemakkelijker zal verlopen dan in het voortgezet onderwijs. De leerling heeft immers meestal één leraar die hem/haar goed kent (en ook twee deeltijdleraren zullen de leerling doorgaans beiden goed kennen). Desgewenst kan de leraar bij het invullen worden ondersteund/aangevuld door de IB-er (of andere relevante disciplines indien beschikbaar). Ook kan uiteraard ter vergelijking worden besloten om meerdere VPI’s in te vullen bij dezelfde leerling, bijvoorbeeld door de leraar en de IB-er.

 

Het VPI kan als volgt een plek krijgen in de ondersteuningsstructuur van de school. Vanuit de klas wordt gesignaleerd dat een bepaalde leerling meer ondersteuning nodig heeft dan vanuit de basisondersteuning – zoals vastgesteld door de school – kan worden geboden. Vanuit de zorgstructuur (leraar + ondersteuners) wordt de vraag gesteld om beter zicht te krijgen op de leerling. Het VPI wordt afgenomen. De uitkomsten worden teruggekoppeld naar de zorgstructuur. De bespreking resulteert in één van de volgende routes. Route 1: het beeld is zodanig dat naar een andere en beter passende leeromgeving moet worden gezocht; een verwijzingscommissie op samenwerkingsverbandniveau gaat op zoek naar een andere reguliere school met een passend ondersteuningsprofiel of naar een speciale school (een arrangement buiten de eigen school). Route 2: op basis van de uitkomsten wordt een handelingsgerichte interventie op deze school ingezet (een arrangement binnen de eigen school).

 

Het VPI bestaat uit drie delen; in deel 1 ligt de focus op de leerling. Aan de respondent wordt gevraagd in welke mate een leerling op een achttal gebieden extra ondersteuning nodig heeft in vergelijking met zijn/haar klasgenoten. Het betreft de gebieden Emoties en persoonskenmerken, Omgaan met anderen, Praktische redzaamheid, Voorwaarden om te kunnen leren, Taal en spraak, Leerontwikkeling, Denken en Lichamelijke ontwikkeling. De respondent geeft per gebied aan of de leerling extra ondersteuning vraagt. De vragen die behoren bij een gebied waarvoor geen extra ondersteuning nodig is, hoeven niet te worden beantwoord. Ieder gebied bestaat uit vijf tot zeven vragen die op een vierpuntschaal moeten worden beantwoord: geen ondersteuning – enige ondersteuning – veel ondersteuning – zeer veel ondersteuning. In deel 2 ligt de focus op het handelen van de leraar. Aan de respondent wordt gevraagd welke extra ondersteuningshandelingen van de leraar nodig zijn om de leerling verder te helpen in zijn/haar ontwikkeling. ‘Extra’ wordt opgevat als die inzet die meer is dan wat gebruikelijk is in deze groep, c.q. wat meer is dan wat de gemiddelde leerling in de groep nodig heeft. Er zijn zeven gebieden met ieder vijf of zes vragen die alle moeten worden beantwoord op een vierpuntschaal: extra ondersteuning niet nodig – in enige mate nodig – veel nodig – zeer veel nodig.  Het betreft de gebieden Pedagogische veiligheid, Pedagogisch reguleren, Aansluiten bij het verstandelijk niveau, Aanpassen van de leeromgeving, Aanpassen van de lesstof, Aanpassen didactische begeleiding en Medische zorg en/of hulpmiddelen. In deel 3 wordt de respondent gevraagd een aantal aanvullende vragen te beantwoorden. De vragen zijn voorgestructureerd en geven dus een serie keuzemogelijkheden (met uiteraard de optie om zelf aanvullingen te doen). De vragen hebben betrekking op extra ondersteuning voor de leerling buiten het primaire leerproces, sterke eigenschappen van de leerling, extra ondersteuning voor de leraar/school en omgevingsfactoren buiten school die de noodzaak van extra ondersteuning vergroten of verkleinen.

 

Een ingevuld VPI resulteert in een profiel dat bestaat uit twee delen: het vraagprofiel waarin een beeld wordt geschetst van de gevraagde extra ondersteuning (resultaat van deel 1) en het handelingsprofiel waarin de benodigde extra ondersteuningshandelingen worden weergegeven (resultaat van deel 2). Het profiel wordt weergegeven in overzichtelijke grafieken. Het VPI levert geen recept op in de zin van: “Doe A als de uitkomsten van het VPI B zijn”. Er zal aan de hand van die uitkomsten nog een concrete vertaalslag moeten plaatsvinden hoe de extra ondersteuningshandelingen vorm moeten worden gegeven. Die vertaalslag hangt af van de situatie ter plekke en is niet als een standaard recept weer te geven. Het hangt af van het in het ondersteuningsprofiel gedefinieerde aanbod, van de precieze ondersteuningsvraag van de leerling, van de klassensituatie, van de mogelijkheden van de leraar, van de schoolcontext, van de ouderbetrokkenheid en van de aanwezige zorgstructuur. Het is daarom niet ondenkbaar dat twee leerlingen met een vergelijkbaar profiel twee verschillende routes gaan bewandelen. De ene leerling kan op de eigen school blijven, omdat de zorgstructuur van de school toereikend is, de uitkomsten van het VPI zijn vertaald in een adequate interventie en de leraar die goed weet uit te voeren. Voor de andere leerling moet een andere school worden gezocht, omdat de zorgstructuur niet toereikend is en de huidige leraar onvoldoende competenties en/of vaardigheden heeft voor een goede aanpak van het gedrag van de leerling.

 

Uit het valideringsonderzoek komt naar voren dat de interne consistentie van de gebieden van beide delen van het VPI voldoende is. Verder vormen het model van de extra ondersteuning die een leerling vraagt (VPI deel 1) en het VPI model van de extra ondersteuningshandelingen die de leerling nodig heeft (VPI deel 2), re­delijk adequate afspiegelingen van de werkelijkheid. Daarnaast zijn er inzichtelijke ver­banden tussen beiden onderdelen van het VPI en wordt de ecologische validiteit (de dekking en het gebruiksgemak zowel door de professionals als de ouders positief beoordeeld.

lees minder

Downloads

Inhoud en verantwoording VPI 2014
In dit document vindt u alle informatie over waarom het VPI is ontwikkeld, hoe het instrument eruit ziet en hoe de uitkomsten zijn te interpreteren. Tevens wordt een praktijkvoorbeeld beschreven en worden de eerste psychometrische gegevens beschreven.
Dr. Jan Bijstra, Onderzoekscoördinator
Regionaal Expertisecentrum Noord Nederland cluster 4 (RENN4)
Dr. Jan Bijstra is als onderzoekscoördinator werkzaam bij het Regionaal Expertisecentrum Noord Nederland cluster 4 (RENN4). Voor deze speciaal onderwijsorganisatie is hij al jaren vertegenwoordiger in het PI Consortium. Hij is betrokken bij verschillende (onderzoeks-)projecten die worden gedaan in samenwerking met kenniscentra als de Rijksuniversiteit Groningen en de Hanzehogeschool Groningen. Bijstra heeft meerdere publicaties op zijn naam staan. Twee aandachtsgebieden zijn: oplossingen voor de handelingsverlegenheid van leraren in het regulier onderwijs met betrekking tot leerlingen met gedragsproblemen en effectiviteit van schoolinterventieprogramma’s op het gebied van sociaal-emotioneel functioneren (j.bijstra@renn4.nl | 050 309 88 82).