Feedback

Leerkrachten en pesten: waarneming en de rol van eigen ervaringen

21-10-2019 / Ron Scholte, hoogleraar Orthopedagogiek

Pesten is een probleem waar veel leerlingen in het basis en middelbaar onderwijs mee te maken hebben. Pesten wordt gekenmerkt door gedrag dat (1) negatief is, (2) herhaaldelijk wordt uitgevoerd, (3) en gericht is op een slachtoffer dat zich niet makkelijk kan verweren. De effecten van pesten kunnen ernstig zijn en soms jarenlang duren. Pesten is een groepsproces waarbij zowel leerlingen als leerkrachten betrokken zijn. Leerkrachten zijn rolmodellen wat betreft hun normen en opvattingen over pesten en het gedrag dat ze vertonen wanneer er gepest wordt. De literatuur suggereert echter dat leerkrachten niet altijd goed in staat zijn om adequaat te handelen bij pestincidenten.

 

Een mogelijk verklaring is, dat leerkrachten pesten niet goed waarnemen en herkennen, waardoor ze vanzelfsprekend ook niet tot handelen kunnen overgaan. Er is echter nog veel onduidelijk over hoe leerkrachten pesten waarnemen in de klas. Theoretisch kan verondersteld worden dat leerkrachten die zelf gepest zijn, pesten beter zouden waarnemen, en dat leerkrachten die zelf gepest hebben, pesten minder goed zouden waarnemen. Bovendien kunnen de eigen ervaringen invloed hebben op hoe leerkrachten over pesten denken, wat uiteindelijk ook invloed kan hebben op hoe ze gedrag van leerlingen waarnemen.

 

Deze studie geeft een overzicht van de internationale literatuur over dit thema, waarbij beschreven wordt hoe de eigen ervaringen van leerkrachten met pesten (als leerling of als leerkracht) samenhangen met hun waarneming van pesten.

lees meer

Ondanks een geleidelijke afname gedurende de afgelopen jaren, is pesten nog steeds een omvangrijk probleem: tussen de 5% en 10% van de basis- en middelbare-school-leerlingen in Nederland geeft aan gepest te worden. Daarbij kan het gaan om het meer zichtbare fysieke pesten (zoals schoppen, slaan, en bedreigen) en om het meer verborgen en minder zichtbare relationele pesten (zoals roddelen, buitensluiten, manipuleren van vriendschappen). De gevolgen van pesten kunnen ernstig zijn, variërend van sociale problemen en school gerelateerde problemen, tot grote fysieke en emotionele problemen. Pesten wordt tegenwoordig gezien als een groepsproces, waarin vaak meerdere leerlingen betrokken zijn op verschillende manieren, maar ook de leerkrachten een cruciale rol spelen. Door de manier waarop ze reageren op pesten, en hun opvattingen en normen over pesten, beïnvloeden de leerkrachten het pesten in de klas. Het blijkt echter dat leerkrachten vaak niet handelen, terwijl de situatie daar wel om vraagt.

 

Een voorwaarde om adequaat te kunnen handelen, is dat leerkrachten in staat zijn om pesten goed waar te nemen wanneer dit gedrag zich voordoet. Leerkrachten zijn daarbij veelal aangewezen op zichzelf, omdat blijkt dat leerlingen die gepest worden, het vaak niet aan hun leerkrachten vertellen. Daarnaast hebben leerkrachten soms onterechte opvattingen over wat pesten inhoudt en over wat slachtoffers (en daders) kenmerkt, waardoor ze het gedrag als zodanig ook moeilijker kunnen herkennen.

 

Theoretisch gezien zouden de eigen ervaringen van leerkrachten met pesten, van invloed kunnen zijn op hoe goed ze pesten waarnemen. Volgens het model van sociale informatieverwerking (Crick & Dodge, 1994) is accurate verwerking van informatie essentieel, om tot adequaat gedrag te kunnen komen. Met betrekking tot pesten betekent dit dat leerkrachten in staat moeten zijn om (1) de signalen van pesten accuraat waar te nemen en (2) het gedrag dat ze waarnemen correct te interpreteren. De eigen ervaringen zouden kunnen zorgen voor meer inzicht in en kennis over pesten, waardoor leerkrachten die zelf gepest zijn, pesten beter zouden moeten kunnen waarnemen. Dat zou niet alleen gelden voor het meer zichtbare fysieke pesten, maar ook voor relationeel pesten, dat vaak subtieler en minder zichtbaar is. Bovendien zouden deze leerkrachten meer empathie voor slachtoffers voelen waardoor ze hen beter zouden kunnen identificeren. Echter, eigen ervaringen met pesten kunnen ook leiden tot cognitieve vervorming, schema’s of denkstijlen, waardoor deze leerkrachten onduidelijke of ambigue sociale situaties mogelijk onterecht als pesten zien. Hierdoor zouden ze pesten wellicht overschatten of sommige kinderen onterecht als slachtoffer inschatten, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. Aan de andere kant zouden leerkrachten die zelf gepest hebben, pesten in de klas minder goed waarnemen, of pestgedrag minder snel als negatief interpreteren.

 

De internationale literatuur maakt duidelijk dat leerkrachten in het algemeen pesten slechts in heel beperkte mate waarnemen: wanneer de rapportages van leerlingen zelf vergeleken worden met wat leerkrachten rapporteren, is er maar weinig overeenstemming. Wat betreft de eigen ervaringen met pesten, blijkt dat veel leerkrachten aangeven, vroeger zelf gepest te zijn, met percentages die variëren van 25% tot meer dan 50%. Daarnaast blijkt een zeer grote groep leerkrachten tijdens hun werk als leerkracht slachtoffer te zijn van geweld of pesten (20% tot meer dan 50%), terwijl er tegelijkertijd ook een aanzienlijke groep leerkrachten is die zelf leerlingen pest. Beide zaken kunnen invloed hebben op hoe deze leerkrachten pesten in hun klas waarnemen.

 

Opvallend genoeg bestaat er heel erg weinig onderzoek dat zich specifiek richt op de vraag of de eigen ervaringen van leerkrachten invloed hebben op hoe ze pesten waarnemen. Uit de enkele studies die er bestaan, komt het volgende beeld naar voren:

  • leerkrachten met een slachtofferverleden lijken pesten realistischer in te schatten.
  • leerkrachten met een slachtofferverleden vinden zichzelf over het algemeen sensitiever ten opzichte van pesten en hebben meer empathie voor de slachtoffers, waardoor ze pesten beter zouden kunnen waarnemen.
  • leerkrachten die als leerkracht gepest worden, zien meer pesten op school dan leerkrachten die niet gepest worden.

 

Een heel klein aantal studies richt zich niet direct op de waarneming, maar op de vraag of de eigen ervaringen van invloed zijn op het handelen van leerkrachten of de mate waarin er gepest wordt in de klas. De beperkte bevindingen die er zijn, suggereren dat als leerkrachten vroeger gepest zijn, er niet minder gepest wordt in hun klas, terwijl er meer gepest wordt wanneer ze vroeger zelf dader geweest zijn.

 

De algemene conclusie van dit overzichtsartikel is, dat hoewel er duidelijke theoretische veronderstellingen zijn over de invloed van de eigen pestervaringen van leerkrachten op hun waarneming van pesten, empirisch onderzoek naar dit belangrijke thema grotendeels ontbreekt. Dit is opvallend en verontrustend, als we ons realiseren hoe belangrijk leerkrachten zijn in het terugdringen van pesten in hun klas. Er is duidelijk meer onderzoek nodig naar hoe leerkrachten pesten waarnemen en welke factoren die waarneming kunnen beïnvloeden.

lees minder
Wendy Nelen
Senior onderzoeker, Praktikon
toon op kaart
Ron Scholte
hoogleraar Orthopedagogiek, Radboud Universiteit en Praktikon
Toernooiveld 5, 6525 ED Nijmegen

Wie kan jou hier nog meer over vertellen

Ron Scholte, hoogleraar Orthopedagogiek
Radboud Universiteit en Praktikon
Prof. dr. Ron Scholte is hoogleraar Orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit en aan de Tilburg Universiteit. Hij is tevens directeur van Praktikon, een onderzoeksinstituut dat gelieerd is aan de Radboud Universiteit, en dat praktijkgericht onderzoek uitvoert in opdracht van scholen, jeugdzorginstellingen, en ministeries. Ron Scholte schreef meer dan 150 internationale publicaties over de psychosociale ontwikkeling van kinderen en jeugdigen. Hij besteedt daarbij aandacht aan de kinderen zelf en aan de invloed van hun omgeving of de context (gezin, onderwijs, en zorg), waarbij het onderwijs een centrale rol speelt. Hij bestudeert groepsinteracties in de klas, en met name pesten en de processen die daarbij spelen.   Daarnaast doet hij onderzoek naar de effecten van interventies die uitgevoerd worden binnen het onderwijs, variërend van anti-pest programma’s tot interventies gericht op het versterken van de veerkracht van leerlingen.  In een breder perspectief brengt hij ook in kaart hoe ouders invloed hebben op kinderen, welke effecten de (jeugd)zorg heeft, en welke factoren daarbij een rol spelen.